Beleidsplan Protestantse Gemeente Akkrum


1. Inleiding.

Vanaf l februari 1991 vormden de plaatselijke Nederlands Hervormde Gemeente en de Gereformeerde Kerk van Akkrum een federatie, waarbinnen al vrij snel bijna alles gezamenlijk werd gedaan. Vanaf 1992 hadden beide gemeenten samen l fulltime predikant. De Protestantse Gemeente (i.w.) van Akkrum is op l mei 2004 ontstaan ten tijde van de fusie van de Nederlands Hervormde Kerk, de Gereformeerde Kerken in Nederland en de Evangelisch-Lutherse Kerk.

Na het voltooien van de restauratie van de NH kerk in 2000, werd de Gereformeerde Kerk verkocht. Mede met de opbrengst daarvan werd in de jaren 2003/2004 het kerkelijk centrum de Lantearne gerenoveerd en uitgebreid.

Het ledental van de gemeente is de laatste jaren redelijk stabiel gebleven met een flinke groei in 2003 en 2004 door de nieuwbouw in Nes. Vergeleken met de rest van Nederland bestaat onze gemeente uit een relatief groot aantal ouderen.

In een aantal stappen is geprobeerd om onze huidige gemeente te typeren en vervolgens een visie op de toekomst te formuleren.

Vanaf november 2012 zijn er door Kerkenraad, Diaconie, Pastorale Raad, College van Kerkrentmeesters en door de gemeente (gemeenteavond mei 2013) discussies gevoerd om sterke en zwakke punten te benoemen, oplossingen voor gesignaleerde knelpunten te bedenken en ideeën te ontwikkelen voor de toekomst.

 

2. Visie en typering van onze gemeente.

De basis van de Protestantse Gemeente in Akkrum is het geloof in God, onze Schepper, die zich laat kennen in zijn Woord, de Bijbel, wat voor ons een leidraad voor het leven mag zijn, Jezus Christus, zijn zoon, die ons een leven naar Gods beeld voorleefde en ieder verlossing en bevrijding aanbiedt en de Heilige Geest, die ons leidt en draagt in het leven van alledag.

Uit de gevoerde discussies blijkt een grote mate van eenstemmigheid over de vraag, hoe onze gemeente het best te typeren is. Kort gezegd: De Protestantse Gemeente van Akkrum is een open, veelkleurige, zoekende (en in mindere mate: lerende) gemeenschap met volop ruimte voor dialoog en communicatie. Het accent ligt op het ‘samen de goede boodschap vieren’ (=liturgie) en ‘het Woord van God uitgelegd krijgen’ .De zondagse kerkdienst en de preek staan dus heel centraal. Een 3e accent ligt bij het ‘omzien naar elkaar’; een kerkgemeenschap als een plaats, waar jong en oud zich verbonden voelen.

 

3. Gewenste situatie.

 

Kijken we naar wat men in de toekomst wil, dan zou het zwaartepunt meer moeten liggen bij het: ‘open zijn en elkaar aanvaarden’, samen met: ‘omzien naar elkaar’ en als volgende keus: ‘een gastvrij huis bieden voor jong en oud’ (zonder overigens het bestaande overboord te willen zetten). Centraal staat dan dus het onderlinge contact en het bij elkaar horen. Ook de maatschappelijke betrokkenheid van de kerk vindt men belangrijk; gelet op de bestaande activiteiten, b.v. van de ZWO-commissie, dient deze betrokkenheid ruim (wereldwijd) uitgelegd te worden. Om ieders talenten op een goede manier in te zetten, wordt er vaak voor gepleit het z.g. “betrokkenheidoffensief’ nieuw leven in te blazen: meer mensen betrekken bij het werk van de kerk.

 

4. Missie

 

Dat heeft consequenties. Aandacht krijgen is mooi, maar dat kan alleen als ieder zelf ook aandacht geeft aan die ander. Dus: je openstellen voor anderen, ook als die zaken anders beleven dan jij. Belangstelling tonen voor wie naast je in de kerk zit, bij het koffiedrinken, in je straat of buurt.

De kerk is er ook voor niet-kerkelijken (een missionaire kerk dus). Dat heeft gevolgen voor de manier, waarop wij onze boodschap uitdragen en positie kiezen in belangrijke maatschappelijke kwesties. Daarbij dient gewaakt te worden voor het innemen van (partij-)politieke standpunten; leidraad hierbij zijn de begrippen “liefde”, “rechtvaardigheid” en “vrede”.

Een andere consequentie is, dat de meest genoemde problemen, n.l. “menskrachten “financiën” opgelost moeten worden: we kunnen niet behouden, wat we nu hebben, als er te weinig “mensen en centen” zijn. Ook hier is betrokkenheid een sleutelbegrip.

Dat is dus waar we voor willen gaan de komende jaren, dat is onze missie:
Een kerk met aandacht voor elkaar, binnen en buiten de kerk.

 

5. Uitwerking in beleid

 

In het voorgaande zijn twee knelpunten benoemd: ‘menskracht’ en ‘financiën’. De vraag is nu hoe de organisatie zou moeten worden ingericht en welke activiteiten zouden moeten worden ontwikkeld om deze knelpunten zodanig om te buigen dat het minimaal gewenste niveau van kerkelijke activiteiten kan worden gewaarborgd. Daarbij dient niet uit het oog te worden verloren, dat “mensen en centen”slechts hulpmiddelen zijn (maar wel belangrijke !) om onze opdracht als kerk vorm te geven.

Tussen “menskracht” en “financiën” staat het begrip “organisatie”.

Betrokkenheid – organisatie – geld

Deze drie zaken zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. De sleutel ligt bij betrokkenheid: als kerkleden betrokken zijn bij het wel en wee van de kerk, zullen zij eerder een functie in de kerkenraad of in een commissie aannemen en zal men eerder bereid zijn een (flinke) financiële bijdrage te leveren.

Betrokkenheid
Een grote betrokkenheid bij de kerk kan natuurlijk voortkomen uit een grote behoefte om met religieuze zaken bezig te zijn_(en vaak ook uit een groot verantwoordelijkheidsgevoel voor kerk en gemeente), maar het lijkt in de praktijk vaak ook veel te maken te hebben met sociale elementen. Mensen zoeken gezelligheid, onderling contact en de kerk kan daarin een belangrijke rol vervullen. Zeker in tijden van toenemend individualisme en communicatie via beeldschermen. Direct contact met elkaar hebben, een persoonlijke benadering, de tijd nemen voor zaken die de ander bezig houden.
Om mensen te betrekken bij kerkelijke activiteiten moet men vaak een drempel over. Uit de praktijk blijkt, dat er een persoonlijke benadering nodig is. Voor veel activiteiten zou het daarom goed zijn met een ‘promotieteam’ te werken: mensen/kinderen, die anderen persoonlijk vragen of ze ook komen. Een goed voorbeeld dat dit werkt, is de gespreksgroep voor jonge ouders over geloofsopvoeding.

Een nieuw betrokkenheidoffensief wordt van harte toegejuicht, maar het zou nog mooier zijn als het in een structurele vorm wordt gegoten. Bewuster omgaan met de kwaliteiten van mensen en hun ontwikkeling in het kerkelijke werk. Dit moet al starten bij het bezoek van het wijkteam bij nieuw ingekomenen: waar liggen uw talenten? Wat zou u kunnen doen binnen onze kerkgemeenschap? Op welke wijze mogen we u erbij betrekken? Daarmee wordt een ontwikkeltraject gestart. Verder zouden mensen in ieder geval het eerste jaar standaard Op Weg moeten krijgen. Dat er dan soms iemand de rekening niet zal betalen, moeten we maar op de koop toenemen.

 

Organisatie
Er zijn globaal drie redenen waarom mensen ‘nee’ zeggen als ze worden gevraagd voor een functie in de kerkenraad of een andere functie binnen de kerk.

  • Tijd (lengte: vaak meerdere jaren, beslag: vaak meerdere uurtjes per week).
  • Vergaderingen: veel mensen zijn liever praktisch bezig, dan te bedenken hoe het verder moet.
  • Ambt beladen: begrippen als ‘ouderling’ en ‘diaken’ klinken zwaar, m.n. als men er verder af staat.

Als je dit onder ogen ziet als een gegeven dat moeilijk is te veranderen, dan rest er niet anders dan de structuur van de organisatie hierop aan te passen en te kiezen voor een ‘projectstructuur’. Dit betekent een structuur met veel commissies en werkgroepen die kortstondig ergens mee bezig zijn (liefst één activiteit) en uitvoerend van karakter zijn. Een goed voorbeeld is de nieuwe aanpak van het huis-aan-huisnummer van Op Weg.

De kerkenraad zou met een dergelijke organisatievorm de komende 5 jaar verkleind kunnen worden van de huidige 20, naar een aantal van ongeveer 12 personen. Deze nieuwe kerkenraad is dan veel minder zelf uitvoerend, maar meer organisatorisch bezig. Een goed voorbeeld is de wijze waarop het huidige beheer van de Lantearne is georganiseerd.

Ten aanzien van het wijkwerk moet er dan eveneens het nodige wijzigen. Er ligt nu een te zware belasting bij de wijkouderling. Dit is doorgaans dan ook de moeilijkste functie om mensen voor te vinden. Er zou ook gedacht kunnen worden aan een structuur met een klein pastoraal kernteam (bijv. predikant + 3 ouderlingen) die bezig zijn met zaken als toerusting voor de gemeente (bijv. organisatie thema-avonden en verzorgen inhoud wijkavonden) en het begeleiden van ‘crisisgevallen’. Het signaleren van huishoudens die extra aandacht van de kerk behoeven, bezoeken van nieuw ingekomenen, bezoeken i.v.m. ziekte, geboorte e.d. worden overgelaten aan het wijkteam, bestaande uit een aantal contactpersonen/wijkbezoekers (ca. l per 10 huishoudens) en één ‘wijkcoördinator’. De laatste geeft bijzondere gevallen door aan het pastorale kernteam, organiseert samen met het wijkteam de wijkavonden (organisatorisch, niet inhoudelijk) en bewaakt de betrokkenheid vanuit zijn of haar wijk bij het kerkenwerk. Deze wijkcoördinatoren zouden de wijkdiakenen kunnen zijn.

In de organisatievorm liggen ook kansen in de vorm van samenwerking met andere gemeenten. De huidige situatie is er één van eilandjes. Op ieder eilandje wordt a.h.w. hetzelfde wiel uitgevonden. Zaken als thema-avonden en grootschalige jeugdactiviteiten lenen zich in beginsel voor een gezamenlijke aanpak. Hierdoor kan met minder tijdsbeslag een groter pakket worden aangeboden. Als bijvoorbeeld onze predikant een zelfde serie themaavonden volgend jaar in Aldeboarn aanbiedt en de predikant van Aldeboarn omgekeerd in Akkrum is er een direct efficiëntievoordeel en bovendien meer variatie in het aanbod voor de kerkleden; ook “uitruil”van predikanten zou hieronder kunnen vallen.

Een mogelijk nadeel van deze vorm van samenwerking is, dat de sociale en pastorale functie van dit soort activiteiten binnen de eigen gemeente minder tot uitdrukking komt.

 

Geld
Bij ongewijzigd beleid, ook rekening houdend met een toenemende lastenverzwaring a.g.v. de nieuwe beloningsstructuur van predikanten, zal er structureel € 20.000,- per jaar ( dat wil zeggen: ruim 20% boven de huidige begroting) meer nodig zijn om de activiteiten op het huidige niveau te kunnen houden. Binnen 5 jaar zou de gewenste inkomstenverhoging gerealiseerd moeten zijn.

Mede op grond van ideeën die al eerder binnen het College van Kerkrentmeesters aan de orde zijn geweest, is een aantal aandachtspunten benoemd, dat nadere bestudering en uitwerking verdient:

  1. Belastingaftrek: de meeste mensen profiteren niet van de mogelijkheid om giften fiscaal af te trekken,
  2. Testamenten: hoe kunnen we bereiken dat mensen vaker de kerk noemen als goed doel in een testament?
  3. Burenhulp e.d.: als je een klein bedrag rekent, wordt het voor de mensen laagdrempeliger (geen liefdadigheid) en het levert tegelijk nog wat op.
  4. Incidentele acties.
  5. De Lantearne: dit goed geoutilleerde gebouw zou meer inkomsten moeten kunnen genereren, ondanks de bestaande beperkingen t.a.v. het gebruik. Een acquisitiecommissie gekoppeld aan het beheer lijkt een goed idee. Wel moet de kwetsbaarheid van de huidige beheersvorm onder ogen worden gezien.
  6. Kostenbesparing waar maar enigszins mogelijk (koffie, papier enz.).
  7. Als laatste (en slechtste) bezuiniging kan genoemd worden een bezuiniging op de kosten van een (nieuwe) predikantsplaats (b.v. parttime i.p.v. fulltime).

6. Slot

In het voorgaande zijn knelpunten geïnventariseerd en oplossingsrichtingen aangegeven voor deze knelpunten. Kort samengevat:

Door een andere organisatievorm te kiezen meer mensen bij het (uitvoerend) werk van de kerk betrekken en (mede) daardoor het financiële draagvlak verstevigen.

Hieruit mag overigens niet de conclusie getrokken worden, dat er nu weinig mensen zijn betrokken bij het kerkelijke werk; ter illustratie: in 2013 verrichtten ongeveer 160 mensen een of andere vorm van vrijwilligerswerk binnen de kerk. In de werkplannen van Pastorale Raad, Diaconie en College van Kerkrentmeesters zullen de begrippen “betrokkenheid”, “organisatie” en “geld” nader uitgewerkt worden voor de betreffende terreinen.

 

Akkrum, 31 mei 2013.